...terug 

Columns Paulien Andriessen

(met als inspiratiebron het theehuis. Paulien schreef een jaar lang maandelijks een column)

 

Ik wil reageren op één van deze columns (uw reactie wordt desgewenst op de site vermeld)

 

 

 

 

 

Vogelkijkers

Buiten bij de achterdeur staat een rijtje vogelaars met verrekijkers te turen naar de lariks. Is er een goudhaantje gesignaleerd? Een vuurgoudhaantje? Of een ander bijzonder vogeltje? Vrijwilligers staan binnen met een vogelboekje in de hand nieuwsgierig te turen naar de plaatjes. In een boekje zie je de tekening goed, maar als het in een boom zit, hoe kun je het dan herkennen? Daar moet je een echte vogelkenner voor zijn, vinden ze.

Selwerderhof is een paradijs voor vogels. Vogelaars hebben zo’n zestig vogelsoorten waargenomen. Koperwieken, pimpelmezen, winterkoninkjes. Het wordt steeds drukker, steeds meer vogelaars plaatsen hun statief in de rij bij de lariks.
Soms komen vogelaars het theehuis binnen. Met verrekijker, statief, een warme jack aan. Maar ze voelen zich er niet op hun gemak. Ze komen voor de vogels, niet voor mensen. Koperwieken, ijsvogeltje, grote bonte specht. Per email liet een vogelaar weten dat hij het theehuis niet binnen durfde. Hij had laatst een uitbrander gekregen van een bezoeker, omdat hij in zijn enthousiasme op de stenen rand van een graf was gaan staan. Stel je voor dat hij in het theehuis ook iets onhandigs zou doen. Groenling, heggenmus, houtsnip. ’s Winters hangen er pindasnoeren en vetbollen aan een boomtak en kun je het boomklevertje langs een boomstam zien kruipen. Het roodborstje op het terras is een goede bekende geworden.

Twee medewerksters kijken op een ochtend door het raam naar dat roodborstje. Op de vetbol aan de tak erboven zit nog een vogeltje. Hij heeft een streepje op zijn kopje. Een koolmeesje? Nee. Een vink dan? Hij heeft wat wits op zijn vleugels. Nee, ook geen vink. Er staat een vogelboekje in de kast, ze zoeken en bladeren, terwijl het vogeltje rustig op de vetbol blijft zitten. Het heeft een zacht snaveltje. Een geel streepje op de kruin. Hé, wacht eens! Dat moet een goudhaantje zijn. Kan dat? Nog eens controleren. Ja! Triomfantelijk kijken ze elkaar aan.
‘Voor het eerst een goudhaantje gezien! En nog wel zonder verrekijker!’

voorjaar 2009


Elisabeth Kübler-Ross op bezoek in het theehuis

Elisabeth Kübler-Ross groeide op in Zwitserland en werd arts. Na de tweede wereldoorlog werkte ze in concentratiekampen, waar ze veel mensen zag sterven. Toen ze trouwde en naar de Verenigde Staten verhuisde schrok ze zich dood over de manier waarop de Amerikanen met sterven en rouwen omgingen; ze stopten het weg en praatten er niet over. Reden voor Elisabeth om zich juist daarin te specialiseren. Haar kijk op verlies en stervensbegeleiding zou haar wereldberoemd maken. In de boekenkast in het theehuis staan dan ook enkele van de boeken, die zij geschreven heeft.
In 1981 kwam ze naar Nederland om lezingen en workshops te geven. Drie jaar later werd de stichting "Dr. Elisabeth Kübler-Ross Nederland" opgericht, kortweg de EKR genoemd. De stichting wil mensen helpen ervaringen zoals verlies en rouw een zinvolle plaats in hun leven te geven.

Elisabeth leeft niet meer, anders had ik haar hier willen uitnodigen, want ook het theehuis wil immers een veilige plek zijn voor mensen die met rouw en verlies te maken hebben. Wat zou ze vinden van deze plek? Zou ze gaan zitten aan de tafel bij het raam, die lichte plek met uitzicht op de bomen? Misschien zou ze dan een paar reeën het pad zien oversteken, of een eekhoorntje in de boom zien klimmen. Wat zou ze nog meer zien? Of horen?

Een klein meisje in de kinderhoek, dat met grote letters in het hartjesboek schrijft, dat het vandaag de verjaardag van opa is. Haar ouders praten zachtjes aan een tafel naast haar. Ze hebben zichzelf op appeltaart getrakteerd. Omdat er zacht klassieke muziek te horen is, kun je niet verstaan wat ze zeggen. Aan de leestafel buigt een mevrouw zich met een tevreden gezicht over de krant. Buiten op het overdekte terrasje zitten twee bejaarde heren, de een op de houten bank, de ander aan een tafel. Ze trekken zich niets aan van de januari kou. Allebei groeten ze een vrouw die langsfietst, een bos bloemen in haar fietstas, waarna de man bij het tafeltje opstaat en naast de man op de bank gaat zitten. ‘Sigaartje?’ vraagt hij. Via de keukendeur komt een medewerker de keuken binnen met een doos nieuwjaarsrolletjes en flessen slagroom.

Dan komt een mevrouw het theehuis binnenwandelen. Ze komt wel vaker; haar man ligt op Selwerderhof begraven. Ze kijkt een beetje verdrietig.
‘Goedemorgen en een gelukkig nieuwjaar. Wilt u wat drinken? We hebben er voor iedereen nieuwjaarsrolletjes bij.’
Er breekt een glimlach door op haar gezicht.
'Oh', zegt ze met een tevreden zucht, ‘het is al drie januari, maar dit is de eerste keer dat iemand mij gelukkig nieuwjaar wenst. Koffie graag. En lekker, zo’n nieuwjaarsrolletje.’
Op dat moment kijk ik naar Elisabeth bij het raam en meen dat ik haar zie glimlachen.

December/januari 2008/2009


Rare boektitels

Als je het theehuis binnenkomt zie je in de linkerhoek een boekenkast staan, met romans, dichtbundels, fotoboeken en boeken voor kinderen. Ze gaan over rouw en verlies, maar ook over de natuur, over spiritualiteit of andere begraafplaatsen. Bezoekers in het theehuis pakken een boek uit de kast en gaan er mee aan de leestafel zitten of op het terras. 'Rouw op je dak’ van Jos Brink, met als ondertitel: Verder leven na de dood van een dierbare, wordt het meest uit de kast gehaald. Dat geeft troost. De boeken lenen en mee naar huis nemen is niet toegestaan, want de boekenkast is geen uitleenbibliotheek. Maar sommige mensen kunnen dat blijkbaar niet respecteren. Iemand heeft een bladzij uit een dichtbundel gescheurd en meegenomen. Uit een ander boek is zelfs een heel hoofdstuk verdwenen. Hartverscheurend.

Soms hebben boeken een rare titel, zoals: ‘Dat is heel wat voor een kat, vind je niet’. Het is geschreven door Judith Viorst en gaat over de poes van een kindje. De poes is doodgegaan en nu gaan ze hem begraven. Samen met zijn moeder verzint het kindje tien dingen waarom het zo’n fijne poes is geweest. Tien dingen, dat is heel wat voor een kat! Er staan leuke tekeningen bij. Er staat ook een boek dat heet: ‘Het refrein is Hein’ . Het gaat over leven en vooral sterven in een verpleeghuis en is geschreven door de arts Bert Keizer. De titel klinkt akelig, die laat ik liever in de kast staan.

Toen mijn zusje kanker kreeg, is ze een dagboek gaan bijhouden. Daarin beschrijft ze haar laatste maanden als kankerpatiënte. Aan het einde van haar leven begon ze na te denken over de kleding waarin ze opgebaard wilde worden. ‘Wat moet ik aan, de laatste keer?’ vroeg ze. ‘Trouwens, een goede titel voor het boek!’ zei ze er meteen achteraan. We hebben haar dagboek na haar dood uitgegeven en natuurlijk de titel meegegeven die zij zelf bedacht had: Wat moet ik aan, de laatste keer.

Aan de leestafel zit een mevrouw met gebogen rug te lezen. Ze kijkt niet op of om. Ze vergeet zelfs haar thee op te drinken. Zou zij het boek van Jos Brink uit de kast hebben gepakt? Of een rare titel? Ze kijkt op als ik bij haar kom zitten. ‘Wat ik lees?’ glimlacht ze. ‘Ach, ik kom hier vaak, bijna elke dag, en dan ik lees altijd de krant.’

November 2008


(On)rust op het urnenveld

Midden op de begraafplaats liggen een paar urnenveldjes. De grafstenen liggen dicht naast elkaar op de grond in het gras. Nabestaanden zetten er planten bij, of een beeldje, een fotolijstje, een vaas met bloemen. Dat geeft sfeer aan het veld. Daarna blijven ze nog wat praten, zittend op een bankje.
‘Heb je het nieuwe urnenveld hiernaast gezien? Daar ligt geen gras op de grond, maar grind! Geen gras. Steentjes! Wat staat dat kaal. En strak. Krijgen wij dat hier ook? Grind. Nee toch!’

In het theehuis gaat het ook over het urnenveld. Een man komt binnen met een graflichtje in zijn hand.
‘Als ik zie dat ze het gras op het urnenveld gaan maaien,’ legt hij uit, ‘haal ik gauw mijn graflichtje bij de steen weg. Want als het lichtje omvalt, spettert het kaarsvet op de steen en daar wordt hij lelijk van. Na het maaien zet ik het lichtje wel weer terug.’
‘Bij het graf van mijn buurvrouw was een stuk van een beeldje afgebroken,’ zegt een vrouw aan een tafeltje. ‘En laatst moest ik zoeken naar mijn vaas, ik vond hem drie graven verderop terug.’
‘Het gras moet natuurlijk wel gemaaid worden,’ klinkt een stem aan een ander tafeltje.

Om de randen langs de grafstenen goed te kunnen knippen moeten de tuinlieden de voorwerpen naast de grafstenen wegzetten. En daarna weer terugzetten. Maar stond dit beeldje nou rechts of links naast die steen? En deze vaas, bij welk graf hoort die ook weer? Soms valt er per ongeluk iets om, een graflichtje bijvoorbeeld. Tja…het is niet gemakkelijk om dit werk naar ieders tevredenheid uit te voeren.
Om een eind te maken aan de onrust is besloten om het gras te vervangen door grind. Het is natuursteen, dat past goed op een begraafplaats. Op het nieuwste urnenveldje is het er al op gelegd. De andere velden volgen. Nu er inmiddels een paar urnengraven in gebruik genomen zijn, omringd door planten, bloemen en andere voorwerpen, zijn de mensen op het bankje niet meer zo afwijzend. Het nieuwe veld begint ook sfeer te krijgen, vinden ze.
‘Ik vind het wel best dat wij ook steentjes krijgen,’ zegt de vrouw aan het tafeltje.‘Dan raak ik mijn vaas niet meer kwijt.’
‘Grind is een goede oplossing,’ beaamt de man van het graflichtje. ‘Het geeft rust. Kan ik mijn lichtje tenminste laten staan.’

Oktober 2008


Rozen op uw graf

In het theehuis rinkelt de telefoon. Aan de andere kant van de lijn vraagt een vrijwillige medewerkster of de bloemen er nog vers bij staan. Anders komt ze morgen nieuwe brengen. Dat is haar taak, het verzorgen van de bloemen. Als zij op vakantie is, neemt een collega het van haar over, want er is voortdurend nieuwe aanvoer nodig. ’t Liefst bloemen van het seizoen. Met de telefoon in de hand inspecteert de medewerkster in het theehuis zorgvuldig alle vaasjes op de tafels.

Als ik even later een rondje over de begraafplaats maak, valt mij op hoe kleurrijk de petunia’s en begonia’s in lange rijen langs de graven staan. Daar wordt vast veel aandacht aan besteed. Verspreid over de begraafplaats staan informatieborden, waar de regels over de beplanting van graven staan vermeld. ‘Als u de begraafplaats regelmatig bezoekt,’ lees ik, ‘heeft u vast wel eens reeën gezien.’ Ja, dat klopt, onlangs heb ik er twee gezien, ze staken op hun dooie gemak een breed pad over. ‘De aanwezigheid van reeën maakt de Selwerderhof tot een uniek natuurgebied. Helaas brengen reeën ook overlast met zich mee. Ze voeden zich graag met bloemen, ze zijn met name dol op rozen.’
Rozen? Eten die bambi’s brutaal weg de rozen bij een graf op? Kunnen de mensen dan geen rozen op hun graf zetten? Maar rozen zijn juist zo veelzeggend; staan ze niet symbool voor eeuwige liefde? En welke bloemen lusten die reeën nog meer? In ieder geval geen petunia’s en begonia’s.
Nu begrijp ik wel waarom je op sommige graven plastic rozen ziet staan. Hier en daar zie ik ook een roos in een grafsteen gegraveerd, maar aan een roos van steen valt gelukkig niet veel te knabbelen.

Terug in het theehuis is de inspectie afgerond. De bloemen zien er fleurig uit en kunnen nog een paar dagen op de tafels blijven staan. Geen petunia’s, geen plastic rozen, maar verse dahlia’s.


September 2008


Het hartjesboek

Op de balie in het theehuis ligt het hartjesboek: een boek in de vorm van een hart. Het ligt opengeslagen en nodigt mensen uit er in te schrijven en te lezen. Vlak na de opening lees je lovende woorden over het theehuis als locatie.
‘Lekkere plek,’ schrijft iemand. ‘Mooiste plekje van Groningen,’ schrijft een ander. ‘Warme ontvangst’. ‘Leuk ingericht.’ ‘Mooi met al die bomen.’ ‘Appeltaart en cappuccino zijn een aanrader’. Verderop in het hartjesboek constateert iemand bemoedigend. ‘Een kopje thee is ook een troost.’

Het hartjesboek heeft een donkerrood kaft en dik, zacht aanvoelend papier. Als je voorzichtig over het papier wrijft, omdat het daartoe uitnodigt, merk je dat er zomaar een los bloemblaadje uit kan dwarrelen. Als het boek vol is, wordt het op de leestafel gelegd en komt er een nieuw hartjesboek op de balie; iets kleiner of iets groter misschien, maar altijd in de vorm van een hart.

Een berichtje in kinderhandschrift meldt: ‘als wij bij het graf van Opa zijn geweest, gaan we hier altijd iets drinken, want mijn oma werkt hier als vrijwilliger.’
‘Mooi initiatief. Een aanwinst voor mensen die van ver moeten komen,’ laat iemand dankbaar weten. En ze komen inderdaad van ver. Uit Polen, Noorwegen, Australië, Canada, Oostenrijk en Duitsland. En uit Engeland, want in het Engels schrijft iemand de verzuchting: ‘I wish England had such places.’

Een paar jaar na de opening is het theehuis voor veel bezoekers een vertrouwde locatie geworden. De appeltaart en de cappuccino smaken nog steeds goed. Genoeg daarover geschreven. De mensen gebruiken het hartjesboek nu meer om zich regelrecht tot de overledene te richten. Zo schrijft iemand: ‘ik ben even bij je langs geweest.’ Een ander: ‘al weer vier jaar geleden, ik denk nog veel aan je.’ Weer een paar pagina’s verder: ‘we hebben je verjaardag in het theehuis gevierd.’
Maar na vijf jaar blijft het theehuis ook nog steeds in trek als ‘lekkere plek’ blijkt wel uit de hartenkreet uit 2008: ‘nu koffie in de zon op het terras. Ik had nooit gedacht dat ik hier zo vaak zou komen!’

Augustus 2008



Grafwerkzaamheden.

‘Wat doe je eigenlijk, als je een graf bezoekt’ vroeg een vriendin me, toen we op het terras van het theehuis wat zaten te drinken. We hadden al diverse mensen voorbij zien komen, op weg naar het graf van een dierbare.
‘Ach.’Ik dacht even na. ‘Kijken hoe het graf er bij staat. Een vaas die omgevallen is rechtop zetten. Een beetje mijmeren en herinneringen ophalen.’
‘Is dat alles?’ was haar verbaasde reactie.
‘Welnee!’ Ik schrok en ging rechtop zitten. ‘Er is ontzettend veel te doen bij een graf. Onkruid wieden. Nieuwe planten poten en begieten. Opletten dat de struikjes niet te ver over de rand uitsteken, in dat geval kortwieken. Bladeren weghalen in de herfst. De steen en de randen schoonmaken, de lettertjes, die in de loop der jaren vervagen, bijschilderen. De verjaardag niet vergeten. Met Allerzielen een lichtje neerzetten. De vaas terugzoeken die bij een ander graf terecht is gekomen.’
Mijn vriendin knikte; nu begreep ze dat het onderhouden van een graf veel aandacht vraagt.

Een paar maanden geleden ging ik met mijn zusje naar het graf van mijn ouders in mijn geboortedorp. Zij heeft altijd een tasje in de kofferbak met een schepje een harkje en wat oude lappen. Onderweg kochten we een doos met vaste planten. Met onze armen vol kwamen we bij het graf aan, onder een grote beuk. Het lag bezaaid met bladeren.
Ik pakte de gieter en liep er mee naar de kraan aan het eind van het pad. Onderweg keek ik wat om me heen. De rododendron, met de uitbundig rode bloemen, was uitgebloeid. Een zwarte merel hipte over het gras. Ondertussen las ik de namen op de grafstenen langs het pad, die ik al honderd keer gelezen had. Lukte het de nabestaanden om een graf na tientallen jaren nog goed te onderhouden? Ik hoorde stemmen, in de verte stonden twee vrouwen tegen elkaar te praten. Er lagen wel drie graven tussen hen in. Een oude man fietste langzaam over het hoofdpad; hij groette de vrouwen met een handgebaar.

Bij de kraan keek ik om naar ons graf. Ik zag alleen de gebogen rug van mijn zusje en haar armen, die driftig heen en weer bewogen. Zij was bezig met haar grafwerkzaamheden. Met een doek veegde ze de grafsteen en de randen schoon. Waarschijnlijk had ze de bladeren al opgeruimd, het struikje bijgeknipt en de plantjes gepoot.
En ik had de gieter nog niet eens vol laten lopen.

Juli 2008



Vreemde vragen?


‘Mag je in het theehuis komen als je niet speciaal naar een graf op de begraafplaats gaat? vroeg iemand mij. ‘Ik zat laatst op het terras een boek te lezen, omdat het daar zo lekker rustig is. Toen er op een zonnige middag veel bezoekers kwamen en het druk werd op het terras begon ik me af te vragen of ik wel recht had op zo’n terrasstoel. Ik heb immers geen familie op de begraafplaats liggen. Ik voelde me bezwaard en ben dus maar opgestapt.’
Een organisator van een beeldenroute rijdt geregeld met een groepje belangstellenden per fiets over de begraafplaats. Om de beelden te bekijken. ‘Het theehuis is een geschikte plek, halverwege de route, om even uit te rusten en iets te nuttigen. Maar mag ik wel met mijn groep in het theehuis komen?’informeerde hij. ‘Of worden we weggestuurd?’

De vrijwillige medewerkers van het theehuis glimlachen verbaasd als ze deze vragen horen. Het komt niet bij hen op dat mensen niet welkom zouden zijn. Natuurlijk tref je hier vooral de mensen die een graf bezoeken of verzorgen. Een paar van hen zijn inmiddels vaste gasten geworden; ze komen één of meerdere keren per week. Maar er komen ook mensen binnen die alleen de kunst aan de muur willen bekijken. Dan drinken ze wat en gaan weer weg. Geregeld zitten wandelaars die het Pieterpad lopen, herkenbaar aan hun grote schoenen, hier even uit te blazen. En als het gaat regenen komen er vogelaars binnen, herkenbaar aan hun groot formaat verrekijker. Niemand zit elkaar in de weg.

‘Maar wij krijgen soms wel vreemde vragen. Laatst kwamen twee dames gehaast het theehuis binnenlopen,’ vertelde een van de vrijwillige medewerkers. ‘Waar zitten hier de uilen, mijnheer?’ vroegen ze. ‘Uilen?’dacht ik. ‘Ik heb geen idee!’ Er was een tv-programma geweest op de regionale zender over uilen die zich op de begraafplaats genesteld hadden.
‘Ik ben op onderzoek uitgegaan,’ ging hij verder. ‘Bij het tweede urnenveldje aan de rechterkant, in de spar. Daar zaten ze, een stuk of acht. Een vogelkenner heeft ze me laten zien, anders had ik ze nooit gevonden. Gelukkig maar, want je wilt de mensen toch te woord staan, ook als ze vreemde vragen stellen.’

Juni 2008



Kindergrafjes

In het theehuis op Selwerderhof is een kinderhoek ingericht. Er ligt van alles: duplo, stiften, knuffels, er staat een standaard met boekjes en een prachtig poppenhuis. Het kindje dat hier komt spelen heeft misschien net tien minuten geleden een knuffeltje of een speelgoedautootje op het graf van zijn zusje gezet. De meeste kindergrafjes staan vol dierbare dingen: molentjes, speelgoedauto’s, knuffels. Ze zien er kleurrijk uit en de teksten op de grafstenen zijn ontroerend

Dat was vroeger anders. Mijn broertje is lang geleden overleden toen hij zes jaar was. Wij, mijn zusjes en ik, gingen vrijwel elke zondag met mijn moeder op de fiets naar het kerkhof. Mijn moeder nam een schepje en wat oude doekjes mee in haar fietstas en wij plukten van te voren een veldboeketje. Op het kerkhof liepen we eerst naar de kraan bij de ingang om een gietertje met water te halen. Daarna liepen we over een paar rechte paden, tot we bij ons eigen pad kwamen. Rechts lagen graven van grote mensen, aan de linkerkant de kindergrafjes, vier op een rij. Meestal waren de grafjes alleen bedekt met witte steentjes en een lege vaas.

Het veldboeketje zetten we in het vaasje van mijn broertje dat altijd klaar stond. We trokken een paar sprietjes onkruid uit de grond. Soms pootten we nieuwe plantjes en begoten die met de gieter. Wij mochten de randen van het graf met de doekjes schoonvegen. En ook de grafsteen. Daarop stond in zwarte letters zijn naam en daaronder: ‘de Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken.’ Als we klaar waren met de werkjes bleef mijn moeder bij het grafje staan. Ze was verdrietig, dat begrepen we wel. Wij waren het ook een beetje. Wij drentelden langs het pad, lazen de opschriften op andere kindergrafjes, die we al honderd keer gelezen hadden. We keken wat om ons heen, maar er was voor ons verder niets te beleven. Dus waren we opgelucht als we zagen dat mijn moeder het schepje en de doekjes weer oppakte. We konden naar huis en gaan spelen!

Voor volwassenen is het theehuis een plek om tot rust te komen, koffie te drinken of misschien een boek te lezen. En om niet alleen te zijn. Voor kinderen is het theehuis de speelhoek, waar je een toren van duplo kunt maken of het poppenhuis kunt verbouwen en je zodoende even kunt onttrekken aan het verdriet van de grote mensen.

April 2008



Theehuis vijf jaar open!


Het theehuis op Selwerderhof bestaat in april 2008 al weer vijf jaar. Op de zaterdag voor Pasen, in 2003, verrichte toenmalig wethouder René Paas van Groningen de opening. Met een dienblad beladen met theepot, kopjes en koekjes stapte hij de drempel over van de voordeur van het theehuis, naar buiten, het terras op. Daar schonk hij de thee sierlijk in de kopjes en bood die aan de gasten aan. Het theehuis was geboren, maar was tevens zo’n onbekend fenomeen, dat het NOS-Journaal er die avond een Paas-item aan wijdde.

Het theehuis wil een plek zijn waar mensen, die bij een graf hebben gestaan, rustig kunnen gaan zitten, een boekje lezen of een praatje maken. Een warme, lichte plek. Het wordt gerund door vrijwilligers en heeft geen winstoogmerk. De eerste tijd keek iedereen de kat uit de boom: de vrijwilligers, de tuinlieden en het kantoorpersoneel van de begraafplaats, maar ook de bezoekers, voor wie juist het theehuis bedoeld was. Was het drempelvrees? Kun je zomaar wat gaan drinken op een begraafplaats? Ook nog appeltaart erbij? Mag je het jezelf gunnen je te laten troosten door een bakje koffie of een praatje met iemand die naar je wil luisteren?
De aarzeling duurde gelukkig niet lang: na een paar weken wist iedereen: het theehuis gaat lopen!

Niet alleen in maar ook buiten Groningen raakte men geïnteresseerd in het fenomeen theehuis op een begraafplaats. Uit Emmeloord, Leeuwarden en Amsterdam kwam men nieuwsgierig kijken en zag hoe bezoekers tevreden in en uit liepen. Men vroeg: hoe doe je dat, een theehuis beginnen op een begraafplaats? Dat willen wij ook!
In de eerste plaats moet je een gebouwtje hebben dat omgetoverd kan worden tot theehuis. Je kunt ook niet zonder een gemeente die er enthousiast aan wil meewerken. En absoluut noodzakelijk is een grote groep gemotiveerde vrijwilligers.

Het team uit Emmeloord wil een theehuis starten met een klein groepje vrijwilligers, maar heeft te kampen gekregen met ziekte. In Leeuwarden is men nog druk in onderhandeling met de gemeente. De beheerder van Zorgvlied in Amsterdam heeft een gebouwtje klaar, maar maakt zich zorgen of hij wel genoeg vrijwilligers kan vinden. Tot nu toe is het theehuis op Selwerderhof nog steeds het enige in Nederland. Zonder winstoogmerk maar met vrijwilligers. Al vijf jaar een unieke, warme en lichte plek.

Maart 2008